Op 10 februari 2026 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest dat gevolgen kan hebben voor de cannabissector. De zaak draaide om bloemtoppen van hennep met een laag THC-gehalte die waren ingevoerd vanuit een andere EU-lidstaat. Hoewel sommigen het arrest zien als een doorbraak en anderen juist als een bevestiging van het bestaande verbod, ligt de werkelijkheid volgens André Beckers precies tussen die twee uitersten.
De kern van de zaak is of Nederland op basis van de Opiumwet de invoer en het bezit van hennep strafbaar mag stellen wanneer deze in een andere EU-lidstaat legaal is geteeld en een THC-gehalte van maximaal 0,3% bevat. Tot nu toe maakte de Nederlandse Opiumwet geen onderscheid op basis van het THC-percentage.
Sinds het Kanavape-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie uit 2020 is de juridische situatie veranderd. Daaruit volgt dat lidstaten legaal geproduceerde CBD-producten uit andere EU-landen niet zonder meer mogen weren. In de huidige zaak gaat het echter niet om CBD-olie of extracten, maar om onbewerkte hennep. Juist dat maakt deze zaak juridisch interessant, omdat dergelijke hennep mogelijk ook onder het Europese landbouwrecht en het vrije verkeer van goederen valt.
De Hoge Raad heeft nog geen definitief oordeel gegeven, maar schetst wel een voorlopig kader. Bescherming vanuit het Europese recht is alleen mogelijk wanneer de volledige productieketen aantoonbaar voldoet aan de Europese regelgeving. Daarbij spelen onder meer gecertificeerd EU-zaad, correcte teelt, controleerbaarheid en een THC-gehalte onder de 0,3% een belangrijke rol.
Omdat nog onduidelijk is hoe ver deze Europese bescherming precies reikt, heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Totdat daar duidelijkheid over bestaat, blijft dit strenge beoordelingskader gelden.
Het arrest betekent niet dat hennep met een laag THC-gehalte automatisch legaal is in Nederland. Wel laat de uitspraak zien dat een algemeen verbod zonder onderscheid naar THC-gehalte mogelijk in strijd kan zijn met het Europese recht. Daarmee vormt het arrest een belangrijke waarschuwing voor zowel de wetgever als handhavers.
Voor ondernemers in de sector is de boodschap minstens zo duidelijk: zonder sluitende documentatie is er geen beroep op Europese bescherming mogelijk. De uiteindelijke duidelijkheid zal moeten komen van het Hof van Justitie in Luxemburg. Tot die tijd blijft er juridische ruimte bestaan, maar alleen voor partijen die hun volledige keten zorgvuldig kunnen onderbouwen.