De Opiumwet maakt een belangrijk onderscheid tussen verschillende cannabisproducten. Hasjiesj en hennep (wiet) vallen onder lijst II van de Opiumwet (softdrugs), terwijl hennepolie (hasholie) is opgenomen op lijst I (harddrugs). Dat onderscheid is niet gebaseerd op het THC-gehalte, maar vooral op de manier waarop het product is gemaakt. Juist die productiemethode speelt een centrale rol in de juridische beoordeling van extracten, concentraten en edibles.
Toen de Opiumwet in 1976 werd ingevoerd, beperkte de wetgever lijst II tot de destijds bekende cannabisproducten. Hennepolie werd afzonderlijk gereguleerd omdat deze door extractie zeer hoge concentraties THC kan bevatten. Wordt bij de productie gebruikgemaakt van organische oplosmiddelen, zoals alcohol of aceton, dan kwalificeert het product als een lijst I-middel. Producten op lijst II mogen dergelijke oplosmiddelen juist niet bevatten.
Opvallend is dat de wetgever destijds bewust geen onderscheid maakte op basis van het THC-percentage. De reden hiervoor was praktisch: het THC-gehalte was voor politie en justitie destijds moeilijk vast te stellen tijdens opsporingsonderzoeken.
Toen de zogenoemde ice-o-lator-methode populair werd, ontstond discussie over de juridische status van dit product. Het Openbaar Ministerie stelde aanvankelijk dat deze vorm van Nederhasj als harddrug moest worden beschouwd. De Hoge Raad besliste echter anders.
Volgens de Hoge Raad is de ice-o-lator-methode een mechanische scheiding van trichomen met ijswater en zeven. Omdat hierbij geen oplosmiddelen worden gebruikt en de methode vergelijkbaar is met traditionele hasjiesjproductie, ontstaat geen nieuw cannabisproduct. Ice-o-lator wordt daarom juridisch aangemerkt als hasjiesj en niet als hennepolie.
Het arrest maakt duidelijk dat de productiemethode bepalend is voor de juridische kwalificatie van een cannabisproduct. Dat brengt in de praktijk wel uitdagingen met zich mee. Op straat is immers niet vast te stellen hoe een product precies is vervaardigd. Daarvoor is laboratoriumonderzoek nodig, wat tijd en kosten met zich meebrengt.
Die onzekerheid speelt ook een rol bij de verkoop van cannabisproducten in coffeeshops. In Limburg was de verkoop van edibles en CBD-olie lange tijd niet toegestaan binnen het gedoogbeleid. Inmiddels mogen gedoogde coffeeshops in Maastricht en Heerlen weer edibles verkopen. Daarbij geldt in theorie dat deze afkomstig moeten zijn van 'rauwe hennep'. De Opiumwet geeft echter geen duidelijke definitie van wat daar precies onder moet worden verstaan.
Het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen spreekt uitsluitend over hennep en hasjiesj en kent geen algemeen verbod op extracten. Daardoor kunnen mechanisch verkregen concentraten, zoals ice-o-lator, worden gebruikt voor de productie van edibles of vapeproducten. Pas wanneer deze concentraten met oplosmiddelen worden verwerkt tot olie of andere vloeibare preparaten, verandert de juridische beoordeling.
Op de markt verschijnen steeds vaker cannabisproducten met zeer hoge THC-concentraties. Volgens onderzoeken wordt op verpakkingen vaker een te hoog THC-percentage vermeld dan een te laag percentage. Daarnaast zijn er signalen dat met name jongere consumenten bewust kiezen voor producten met een zo hoog mogelijk THC-gehalte, soms oplopend tot 60% of meer.
Naast de juridische aspecten spelen ook gezondheidsrisico's een steeds grotere rol. In de medische praktijk worden vaker meldingen gedaan van mensen die op de spoedeisende hulp terechtkomen na een THC-intoxicatie. Hoewel niet iedere melding direct een causaal verband bewijst, is duidelijk dat zeer geconcentreerde THC-producten extra aandacht verdienen.
Bij edibles komt daar nog een tweede aspect bij: voedselveiligheid en de visuele aantrekkelijkheid voor jonge kinderen. Dat maakt deze productcategorie juridisch én maatschappelijk extra relevant.
De huidige Opiumwet maakt nog geen afzonderlijk onderscheid tussen extracten, concentraten en edibles. Gezien de technologische ontwikkelingen, de steeds sterkere cannabisproducten en de mogelijke gezondheidsrisico's ligt het echter voor de hand dat de wetgeving zich de komende jaren verder zal ontwikkelen. Een afzonderlijke wettelijke regeling voor deze productcategorieën lijkt daarom niet ondenkbaar.