In 2024 werden 563 gedoogde coffeeshops in Nederland geteld. Zij mogen dagelijks maximaal vijf gram cannabisproducten per volwassen klant verkopen, zonder limiet op het aantal transacties. Gemiddeld verkoopt een coffeeshop ongeveer anderhalve kilo per dag, met flinke uitschieters bij drukke zaken.
Toch mag een gedoogde coffeeshop slechts 500 gram handelsvoorraad hebben. Iedereen begrijpt dat dit nooit voldoende is om aan de dagelijkse vraag te voldoen. Het kan simpelweg niet anders dan dat er stashhouders zijn die ergens een voorraad wiet en hasj verstoppen die bestemd is voor coffeeshops. Hetzelfde geldt voor mensen die de producten verkoopklaar maken door deze te verpakken en joints te draaien. Geen enkele coffeeshop kan daarnaast zonder koeriers die de voorraad op peil houden.
In 1997 schreef ik mijn afstudeerscriptie over “hulpen in (hash)coffeeshops”. De vraag was of mensen die zich uitsluitend met deze werkzaamheden bezighouden, een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst kunnen hebben. Dat was belangrijk vanwege de premieplicht en de sociale bescherming die werknemers genieten bij ziekte of werkloosheid.
In 2002 oordeelde de Centrale Raad van Beroep in twee zaken. Met een (illegale) wietkweker kon geen rechtsgeldige arbeidsovereenkomst ontstaan omdat de werkzaamheden én in strijd waren met de Opiumwet én met de goede zeden en openbare orde. Voor medewerkers van gedoogde coffeeshops gold dat niet. Zij hielden zich bezig met verkoop die wél gedoogd werd.
Hoe is dat nu? Rechters in (Oost-)Brabant deden uitspraak in de zaak van een ontslagen logistiek medewerker van een coffeeshop. De werknemer beheerde in zijn woning een stash van enkele tientallen kilo’s voor zijn werkgever. Samen met zijn partner – ook in loondienst – draaide hij joints en verpakte hij producten. Dat deed hij sinds 1999.
In 2021 ontdekte de politie de stash. De burgemeester sloot de woning drie maanden en de coffeeshop ging negen maanden dicht. Voor de werkgever was dat reden om te reorganiseren. De arbeidsovereenkomsten werden beëindigd. De medewerkers gingen daar niet mee akkoord en stapten naar de rechter. Zij eisten forse schadevergoedingen en een billijke vergoeding.
Wat opvalt is dat de rechters het de werkgever kwalijk namen dat hij geen veilige werkomgeving had geboden. De werknemers werden blootgesteld aan risico’s. Een citaat uit het hof:
“Een goed werkgever draagt aan een werknemer geen werkzaamheden op als die werknemer door de werkzaamheden uit te voeren een strafbaar feit pleegt. De werkgever die dat wel doet handelt ernstig verwijtbaar.”
Een ander juridisch perspectief komt uit Noord-Nederland, waar een beëindigde overeenkomst van opdracht centraal stond. De coffeeshopondernemer beriep zich op de nietigheid van de overeenkomst die hij zélf had gesloten. Dat werd door het hof opportunistisch en weinig sympathiek gevonden. Maar juridisch kreeg hij wel gelijk.
De overeenkomst werd in strijd met de goede zeden en openbare orde geacht. Daardoor was er juridisch geen rechtsgeldige overeenkomst en werd de vordering afgewezen.
Een niet-gereguleerde achterdeur blijft hoofdbrekens geven. De vraag is of een nieuw kabinet onder leiding van D66 hier verandering in zou kunnen brengen.